maandag 3 februari 2014
Condoleanceregister Jack Mensink
Zeer plotseling is onze dierbare collega Jack Mensink ons ontvallen en wij zijn aangeslagen door zijn overlijden. Wij nodigen iedereen uit om zijn of haar gevoelens te delen in dit condoleanceregister.
Bij voorkeur uw eigen naam naam onder het tekstbericht zelf zetten, en dan de optie 'anoniem' kiezen om te publiceren.
zondag 27 oktober 2013
Lopen, om stil te staan bij het verleden.
Rede uitgesproken bij herdenking Tilburg 69 jaar bevrijd.
Vorig jaar benaderde het Oranje Comité ons met de vraag hoe de jeugd meer betrokken zou kunnen worden bij de herdenkingsbijeenkomsten. Het streven was om het herdenken van de bevrijding voor de jeugd vooral het karakter van vier je vrijheid te geven. Maar om vrijheid te vieren moet je je vrijheid beseffen en onze jeugd verkeert gelukkig in de luxepositie dat vrijheid vanzelfsprekend is.
Overigens geldt dat niet alleen voor de huidige jeugd maar eigenlijk ook voor mijn generatie. Ik ben opgegroeid in de koude oorlog maar wij werden daar eigenlijk niet warm of koud van. Ik herinner me wel oefeningen op school waarbij we onder tafel moesten gaan zitten om de straling van een kernbom tegen te houden maar die oefeningen werden toen al niet echt serieus genomen. De meest dichtstbijzijnde oorlog die ik zelf heb meegemaakt in mijn leven was de Joegoslavische burgeroorlog tussen 1991 en 1999 en alhoewel ik daar op vakantie was geweest, heeft die oorlog mijn leven niet echt beïnvloed. Tot ik op een feestje een Joegoslaaf sprak die vertelde dat zijn moeder en zus in verschrikkelijke omstandigheden in Sarajevo zaten en dat hij zich zo machteloos voelde. Medeleven neemt toe als iets doordringt tot je eigen leven.
Overigens geldt dat niet alleen voor de huidige jeugd maar eigenlijk ook voor mijn generatie. Ik ben opgegroeid in de koude oorlog maar wij werden daar eigenlijk niet warm of koud van. Ik herinner me wel oefeningen op school waarbij we onder tafel moesten gaan zitten om de straling van een kernbom tegen te houden maar die oefeningen werden toen al niet echt serieus genomen. De meest dichtstbijzijnde oorlog die ik zelf heb meegemaakt in mijn leven was de Joegoslavische burgeroorlog tussen 1991 en 1999 en alhoewel ik daar op vakantie was geweest, heeft die oorlog mijn leven niet echt beïnvloed. Tot ik op een feestje een Joegoslaaf sprak die vertelde dat zijn moeder en zus in verschrikkelijke omstandigheden in Sarajevo zaten en dat hij zich zo machteloos voelde. Medeleven neemt toe als iets doordringt tot je eigen leven.
In het boek “de Encyclopedie” door Battus (1978, Battus is een pseudoniem Hugo Brandt Corstius) staat een definitie van een ramp: "hoe erg wij een ramp vinden, hangt af van het aantal slachtoffers dat erbij is te betreuren, het aantal kilometers dat ons scheidt van de plaats van de ramp en het aantal jaren dat tussen ons en de ramp ligt". Voor de berekening staan de afstand en de tijd in de noemer dus hoe verder weg en hoe langer geleden des te kleiner de impact. Je zou de formule kunnen verfijnen met het percentage Nederlanders, persoonlijke bekenden of kinderen. Een vliegtuigongeluk in Brazilië met 150 slachtoffers krijgt minder plaats in de krant dan een busongeluk in Duitsland waarbij 10 Nederlanders te betreuren zijn. Een explosie met 6 doden in Groningen staat in het Brabants Dagblad op pagina 3, een brand in Rijen waarbij 2 kinderen zijn omgekomen, staat op de voorpagina.
Maar hoe haal je een oorlog die zich 70 jaar geleden afspeelde dichtbij?
Het Holocaust museum in Berlijn begint met persoonlijke verhalen: In de eerste expositieruimte van het museum wordt het dagelijkse leven van een paar families geschetst. In de vitrines staan schoolschriftjes, kindertekeningen, Sinterklaasrijmpjes en familiefoto's van een dagje naar het strand. Voor iedereen zeer herkenbare familietaferelen. Er wordt daarna ingezoomd van klein naar groot; van de familieverhalen naar de onvoorstelbare statistieken van de massavernietiging.
In Amsterdam is een paar weken geleden het Verzetsmuseum Junior geopend met authentieke verhalen over 4 kinderen in de tweede wereldoorlog en een collectie bijbehorende materialen. En de dagboeken van Anne Frank zijn niet voor niets aangrijpender dan zakelijke verslaglegging van oorlogsverschrikkingen. Om Stalin* te citeren: De dood van één mens is een tragedie; de dood van miljoenen slechts een statistiek.
Het Holocaust museum in Berlijn begint met persoonlijke verhalen: In de eerste expositieruimte van het museum wordt het dagelijkse leven van een paar families geschetst. In de vitrines staan schoolschriftjes, kindertekeningen, Sinterklaasrijmpjes en familiefoto's van een dagje naar het strand. Voor iedereen zeer herkenbare familietaferelen. Er wordt daarna ingezoomd van klein naar groot; van de familieverhalen naar de onvoorstelbare statistieken van de massavernietiging.
In Amsterdam is een paar weken geleden het Verzetsmuseum Junior geopend met authentieke verhalen over 4 kinderen in de tweede wereldoorlog en een collectie bijbehorende materialen. En de dagboeken van Anne Frank zijn niet voor niets aangrijpender dan zakelijke verslaglegging van oorlogsverschrikkingen. Om Stalin* te citeren: De dood van één mens is een tragedie; de dood van miljoenen slechts een statistiek.
Als we onze jeugd willen laten meeleven met thema's als bevrijding en vrijheid, dan moeten we hun dus persoonlijk raken en de kleine menselijke verhalen zoeken die herkenbaar en dichtbij zijn.
Ook in Tilburg, en met name in binnenstad zijn historische hotspots met hun eigen verhaal. Wij hebben die historische plekken met elkaar verbonden met een geocache-route; een educatieve gps-puzzeltocht. Twee leerlingen uit 5vwo, Anique Altena en Ruben Schellekens, hebben samen met docente Tina Leyds die tocht uitgezet. Afgelopen week hebben 50 derdeklassers als proefkonijnen de route gelopen. Die leerlingen waren eerst mentaal voorbereid door in de klas de film: “De Canadezen komen” te tonen, een documentaire waarin Canadese jongeren naar Europa komen om sporen van familieleden te vinden (overigens komen er volgend jaar duizenden Engelese scholieren naar West-Vlaanderen om de start van de Eerste Wereldoorlog te herdenken). Daarna zijn de leerlingen naar de stad gefietst, het startpunt ligt hier bij het Schotse monument op het Stadhuisplein, en zijn binnen de cityring gaan geocachen.
De evaluaties geven een gevarieerd maar vooral een positief beeld, een kleine bloemlezing:
Cansu: "Ik vond het heel leuk dat we door de stad mochten wandelen, we zagen ook veel monumenten die mij eerst nooit waren opgevallen. Ik vond het wel erg dat er zoveel mensen zijn omgekomen door de oorlog, Ik besef nu pas eigenlijk".
David: "Ik vond het misschien niet leuk, maar het was erg zinvol om dingen te leren en je te laten denken".
Aron: "Ik vond de GPS tocht leuk en leerzaam maar hij was ook heel zwaar omdat ik mijn volle schooltas bij me had die ik achteraf beter op school had kunnen laten".
Sanne: "Ik vond het interessant, maar ik wist al best veel van de tweede wereld oorlog en de monumenten waren niet echt speciaal of echt indrukwekkend. We kregen van tevoren ook een film gezien en die vond ik eigenlijk specialer en interessanter".
Lieke: "Ik zou ervoor zorgen dat je meer bezig bent met de geschiedenis en de soldaten die zijn gesneuveld".
Mohammed: "Het interessantste monument vond ik die bij het station, het verhaal raakte me en ik kreeg een beeld hoe die personen werden weggebracht".
Julie: "Je hebt het namelijk niet door maar er zijn veel monumenten over de bevrijding in Tilburg. Ook was het confronterend, je denkt namelijk niet zo vaak terug aan de oorlog".
De evaluaties geven een gevarieerd maar vooral een positief beeld, een kleine bloemlezing:
Cansu: "Ik vond het heel leuk dat we door de stad mochten wandelen, we zagen ook veel monumenten die mij eerst nooit waren opgevallen. Ik vond het wel erg dat er zoveel mensen zijn omgekomen door de oorlog, Ik besef nu pas eigenlijk".
David: "Ik vond het misschien niet leuk, maar het was erg zinvol om dingen te leren en je te laten denken".
Aron: "Ik vond de GPS tocht leuk en leerzaam maar hij was ook heel zwaar omdat ik mijn volle schooltas bij me had die ik achteraf beter op school had kunnen laten".
Sanne: "Ik vond het interessant, maar ik wist al best veel van de tweede wereld oorlog en de monumenten waren niet echt speciaal of echt indrukwekkend. We kregen van tevoren ook een film gezien en die vond ik eigenlijk specialer en interessanter".
Lieke: "Ik zou ervoor zorgen dat je meer bezig bent met de geschiedenis en de soldaten die zijn gesneuveld".
Mohammed: "Het interessantste monument vond ik die bij het station, het verhaal raakte me en ik kreeg een beeld hoe die personen werden weggebracht".
Julie: "Je hebt het namelijk niet door maar er zijn veel monumenten over de bevrijding in Tilburg. Ook was het confronterend, je denkt namelijk niet zo vaak terug aan de oorlog".
De geocache wordt officieel geregistreerd en is binnenkort online beschikbaar bij de internationale site geochaching.com. De Bibliotheek Midden-Brabant is enthousiast over het initiatief en onderzoekt of ze een uitleenpunt van de apparatuur kan worden. Op het Theresialyceum gaan we de cache verder ontwikkelen: er zijn al plannen voor varianten met verschillende niveaus en startpunten en er komt een Engelstalige versie. Verder heb ik het Oranje Comité toegezegd dat volgens schooljaar niet alleen alle derdeklassers van onze school op deze wijze hun vrijheid gaan beseffen maar dat ik me persoonlijk ga inspannen om alle middelbare scholen van Tilburg warm te maken voor dit initiatief. De complete beschrijving van de geocache-route staat als download op de website van het Theresialyceum.
Het motto wordt: ”Lopen, om stil te staan bij het verleden”.
Tomas Oudejans
27 oktober 2013
* Een alerte collega attendeerde me er op dat dit citaat ten onrechte aan Stalin wordt toegeschreven. Zie Wikiquote.
zondag 20 oktober 2013
Social Media: een Lust of een Last?
Deze opinie is in iets gewijzigde vorm geplaatst in het Brabants Dagblad van 12 oktober 2013
Begin oktober vond in Den Haag in het kader van de Onderwijsweek het nationale onderwijsdebat plaats. In het panel zaten politici, bestuurders en experts op het terrein van onderwijsvernieuwing. Als rector met ervaringen met Twitter e.d. mocht ik ook als panellid optreden. De organisatie van het onderwijsdebat was vreemd genoeg vergeten om docenten uit te nodigen, maar in de zaal zaten gelukkig wel de echte deskundigen: de leerlingen. The medium is the message en ik kon het dus niet laten om even te twitteren over mijn aanwezigheid bij het debat. Die tweet is opgepikt door de opinieredactie van het Brabants Dagblad en had een uitnodiging tot een opiniebijdrage tot gevolg. Oordeel zelf maar of de vraag “Social Media: Lust of Last?” hiermee beantwoord wordt.
Aan de hand van stellingen werd onder leiding van Boris van der Ham levendig gediscussieerd. De eerste stelling was of er meer of minder gebruik moet worden gemaakt van social media in de klas De tegenstelling tussen de mening van de experts en die van de leerlingen had niet groter kunnen zijn. De onderwijsvernieuwers vonden unaniem dat tools als Twitter en Facebook de middelen bij uitstek zijn om de hedendaagse jeugd iets bij te brengen. De leerlingen waren terughoudender en toonden het inzicht dat bij het opzoeken of communiceren via Twitter het gevaar loert dat je dan heel snel afgeleid zal zijn door de talloze overige berichtjes. Over Facebook waren ze nog stelliger: “Dat is privé en niet van school”. Dit betekent overigens niet dat een school geen Facebookpagina mag hebben, maar daar moet je echt geen huiswerk op posten.
Ik was blij met de reactie van de leerlingen. Het afleidingsgevaar is in mijn ogen het grootste probleem van de social media. Natuurlijk worden we op school ook geconfronteerd met pesten via de social media, maar dit heeft boven het ouderwetse verbale pesten als voordeel dat we ook eigentijdse opsporingsmiddelen tot onze beschikking hebben gekregen: digitaal pesten laat immers digitale sporen na. Je niet laten afleiden en blijven concentreren op een studieboek vergt erg veel zelfdiscipline. Als de smartphone op je bureau ligt te lonken, is het zeer verleidelijk om regelmatig te checken of er een nieuwe whatsapp of tweet binnen is gekomen of dat er misschien een nieuwe foto “geliket” moet worden.
Dat leerlingen het gebruik van hun Facebook voor mededelingen van school afwijzen, verheugde me omdat ze daarmee een eigentijds privacy-besef tonen. Het is niet de privacy die tot een paar jaar geleden de norm was; waarbij jij zelf wilt kunnen bepalen wie, wat van jou weet. Treinreizigers mogen soms meegenieten van uitgebreide relatieperikelen (maar ook van zakelijke gesprekken) en op Twitter en Facebook wordt veel meer gedeeld dan we ooit voor mogelijk hadden gehouden. Toch willen de kinderen in al die nieuwe openheid een eigen controle houden en hebben ze eigen spelregels. Nu leren we de kinderen bij mediawijsheid nog dat ze op moeten passen wat ze op Facebook zetten omdat dit later bij sollicitaties tegen je gebruikt kan worden, maar over niet al te lange tijd is het juist verdacht als je niet gegoogled kunt worden. De regels veranderen dus en wij moeten als school leerlingen helpen om de juiste keuzes te maken. Vorig jaar vonden we een tweet van een leerling waarin hij aangaf een docente te haten. In het daaropvolgende pedagogische gesprek bleken twee dingen: ten eerste was hij stomverbaasd dat anderen het ook konden lezen en ten tweede bleek dat haten helemaal niet zo zwaar beledigend bedoeld te zijn. Een tweet moet immers kort zijn en als je iets of iemand even minder leuk vindt, dan knal je er als puber ongenuanceerd gewoon een HAAT uit.
Voor school en ouders ligt er de taak om het taalgebruik bij te sturen en leerlingen te helpen de privacy te bewaken. In het onderwijs zullen we de social media gedoseerd inzetten. Om het afleidingsgevaar tegen te gaan, komen er vast wel technische oplossingen. Bijvoorbeeld een app waarmee uw kind kan aangeven voor de studie een uur volledig offline te gaan en waardoor dan zakgeldbonus wordt opgebouwd. Ik las serieus de tip met de oplossing om de drang om regelmatig op het mobieltje te kijken te reduceren: een horloge! Ook een manier om bij de tijd te blijven.
Tomas Oudejans,
rector Theresialyceum
Begin oktober vond in Den Haag in het kader van de Onderwijsweek het nationale onderwijsdebat plaats. In het panel zaten politici, bestuurders en experts op het terrein van onderwijsvernieuwing. Als rector met ervaringen met Twitter e.d. mocht ik ook als panellid optreden. De organisatie van het onderwijsdebat was vreemd genoeg vergeten om docenten uit te nodigen, maar in de zaal zaten gelukkig wel de echte deskundigen: de leerlingen. The medium is the message en ik kon het dus niet laten om even te twitteren over mijn aanwezigheid bij het debat. Die tweet is opgepikt door de opinieredactie van het Brabants Dagblad en had een uitnodiging tot een opiniebijdrage tot gevolg. Oordeel zelf maar of de vraag “Social Media: Lust of Last?” hiermee beantwoord wordt.
Aan de hand van stellingen werd onder leiding van Boris van der Ham levendig gediscussieerd. De eerste stelling was of er meer of minder gebruik moet worden gemaakt van social media in de klas De tegenstelling tussen de mening van de experts en die van de leerlingen had niet groter kunnen zijn. De onderwijsvernieuwers vonden unaniem dat tools als Twitter en Facebook de middelen bij uitstek zijn om de hedendaagse jeugd iets bij te brengen. De leerlingen waren terughoudender en toonden het inzicht dat bij het opzoeken of communiceren via Twitter het gevaar loert dat je dan heel snel afgeleid zal zijn door de talloze overige berichtjes. Over Facebook waren ze nog stelliger: “Dat is privé en niet van school”. Dit betekent overigens niet dat een school geen Facebookpagina mag hebben, maar daar moet je echt geen huiswerk op posten.
Ik was blij met de reactie van de leerlingen. Het afleidingsgevaar is in mijn ogen het grootste probleem van de social media. Natuurlijk worden we op school ook geconfronteerd met pesten via de social media, maar dit heeft boven het ouderwetse verbale pesten als voordeel dat we ook eigentijdse opsporingsmiddelen tot onze beschikking hebben gekregen: digitaal pesten laat immers digitale sporen na. Je niet laten afleiden en blijven concentreren op een studieboek vergt erg veel zelfdiscipline. Als de smartphone op je bureau ligt te lonken, is het zeer verleidelijk om regelmatig te checken of er een nieuwe whatsapp of tweet binnen is gekomen of dat er misschien een nieuwe foto “geliket” moet worden.
Op een thema-avond op school vertelden ouders dat ze zelf ook behoorlijk verslaafd zijn: ouders die online Wordfeud tegen elkaar aan het spelen zijn terwijl ze zwijgend naast elkaar op de bank zitten. Een andere moeder vertelde met enige gêne dat ze haar kinderen met WhatsApp “roept” dat ze naar beneden moeten komen omdat het eten klaar is.Bij kinderen komt daar de groepsdruk en de angst om er niet meer bij te horen bij. De term infobesitas, een paar jaar geleden geïntroduceerd om de overdaad aan informatie te duiden, is ingehaald door socialbesitas. Vooral onder 12- tot 16-jarigen komt de ziekte FOMO voor (Fear Of Missing Out), honderden berichtjes per dag is geen uitzondering en waterdichte smartphones zijn vooral populair omdat je daarmee zelfs onder de douche verbonden kan blijven met je virtuele vriendenkring.
Dat leerlingen het gebruik van hun Facebook voor mededelingen van school afwijzen, verheugde me omdat ze daarmee een eigentijds privacy-besef tonen. Het is niet de privacy die tot een paar jaar geleden de norm was; waarbij jij zelf wilt kunnen bepalen wie, wat van jou weet. Treinreizigers mogen soms meegenieten van uitgebreide relatieperikelen (maar ook van zakelijke gesprekken) en op Twitter en Facebook wordt veel meer gedeeld dan we ooit voor mogelijk hadden gehouden. Toch willen de kinderen in al die nieuwe openheid een eigen controle houden en hebben ze eigen spelregels. Nu leren we de kinderen bij mediawijsheid nog dat ze op moeten passen wat ze op Facebook zetten omdat dit later bij sollicitaties tegen je gebruikt kan worden, maar over niet al te lange tijd is het juist verdacht als je niet gegoogled kunt worden. De regels veranderen dus en wij moeten als school leerlingen helpen om de juiste keuzes te maken. Vorig jaar vonden we een tweet van een leerling waarin hij aangaf een docente te haten. In het daaropvolgende pedagogische gesprek bleken twee dingen: ten eerste was hij stomverbaasd dat anderen het ook konden lezen en ten tweede bleek dat haten helemaal niet zo zwaar beledigend bedoeld te zijn. Een tweet moet immers kort zijn en als je iets of iemand even minder leuk vindt, dan knal je er als puber ongenuanceerd gewoon een HAAT uit.
Voor school en ouders ligt er de taak om het taalgebruik bij te sturen en leerlingen te helpen de privacy te bewaken. In het onderwijs zullen we de social media gedoseerd inzetten. Om het afleidingsgevaar tegen te gaan, komen er vast wel technische oplossingen. Bijvoorbeeld een app waarmee uw kind kan aangeven voor de studie een uur volledig offline te gaan en waardoor dan zakgeldbonus wordt opgebouwd. Ik las serieus de tip met de oplossing om de drang om regelmatig op het mobieltje te kijken te reduceren: een horloge! Ook een manier om bij de tijd te blijven.
Tomas Oudejans,
rector Theresialyceum
zondag 10 maart 2013
Home is where my heart is
De regering wil de bouw stimuleren door de BTW tot 1 maart 2014 te verlagen tot 6%. Deze regeling geldt jammer genoeg alleen voor woningen. De grote bouwmaatschappijen schieten er waarschijnlijk weinig mee op maar wie een serre of dakkapel wil plaatsen heeft geluk. In Duitsland en Frankrijk werd om de bouw uit het slop te halen juist extra geld in scholenbouw gestopt, daar profiteert immers heel de maatschappij van.
Zou een school waar 1500 mensen zich dagelijks thuis voelen eigenlijk ook niet als een huis beschouwd kunnen worden?
woensdag 15 februari 2012
Prestatiebeloning of prestatiebekroning?
De overheid heeft experimenten met prestatiebeloning in het onderwijs aangekondigd. Men ziet dit als een manier om de kwaliteit van het onderwijs te verhogen. Als Theresialyceum hebben we na rijp beraad besloten nu niet mee te doen aan die experimenten rondom Prestatiebeloning, in het volle besef dat we dan mogelijk wel gelden laten liggen. In deze blog beschrijf ik onze afwegingen en wordt aan het eind een alternatief geschetst.
Wij hebben onderstaande argumenten om af te zien van deelname aan het experiment Prestatiebeloning, ze staan in willekeurige volgorde:
1.Prestatiebeloning heeft voor ons geen prioriteit in modernisering van de huidige arbeidsvoorwaarden omdat het simpelweg niet past bij de cultuur van onze school. Wij zijn meer gebaat bij meer flexibiliteit in arbeidsrelatie zoals met een levensfasebudget.
2.Door een afgesproken cyclus van beoordelings-, pop- en functioneringsgesprekken en recent geïntroduceerde regelingen als de functiemix en de regeling Bewust Belonen zijn er al voldoende instrumenten voor een goed en onderscheidend personeelsbeleid. (En laten we ook het "gewone" compliment niet vergeten).
3.De projecten die wij als school willen aanpakken, zouden docenten zonder extra prikkel ook al moeten willen doen (en gelukkig doen de meesten dat ook). De salarissen in het onderwijs zijn de afgelopen jaren flink bijgetrokken en het is gezien de hoogte van de salarissen niet nodig extra te belonen voor activiteiten die feitelijk binnen de normale taakomschrijving vallen.
4.School maak je samen en het wordt steeds belangrijker om juist te investeren in die samenwerking en in de onderlinge relaties van de medewerkers zodat er een sfeer van vertrouwen én van critical friends kan groeien. Prestatiebeloning achten wij contraproductief voor dit proces.
5. Een school zoekt voor dit experiment projecten uit die een school toch al belangrijk vindt, daarmee is de slaagkans –ongeacht de prestatiebeloning- groot en daarmee lijkt de uitkomst van een onderzoek naar het effect van prestatiebeloning redelijk voorspelbaar.
Stel we maken een speerpunt dat er meer differentiatie moet komen of minder doubleurs in een bepaalde jaarlaag. We maken zo'n keuze normaal gesproken gezamenlijk op basis van signalen van medewerkers, ouders en leerlingen, op basis van onderzoek en argumenten ontstaat er draagvlak en dan gaan de schouders er onder. Zo zijn er ieder schooljaar -en in ieder schoolplan- wel nieuwe activiteiten, dat is inherent aan het onderwijs. Als een dergelijk project voorgedragen wordt voor het experiment Prestatiebeloning, is niet de vraag óf het project slaagt maar of het door de bonus beter slaagt.
In het Nederlands onderwijs wordt al hard gewerkt, het is niet voor niets dat het aantal burn outs het grootste is van de Nederlandse beroepsbevolking (onderzoek CBS 2011). Het is een gotspe om aan te dat onze onderwijs-professionals voor een paar duizend euro opeens beter onderwijs kunnen geven, je zou het ook als een motie van wantrouwen met betrekking tot de integriteit en het arbeidsethos kunnen typeren.
6. Het is een illusie en korte termijn denken dat leerwinsten betrouwbaar in 3 jaar te meten zijn. Zo is het best mogelijk om het aantal doubleurs van een bepaalde jaarlaag terug te dringen maar welk effect heeft dat in de hogere jaren?
7. Vergelijkbare controlegroepen binnen de school roept al snel vragen op waarom één groep leerlingen meer aandacht/energie heeft gekregen dan een andere. Controlegroepen buiten de school zijn zelden of nooit vergelijkbaar want gelukkig mogen scholen in Nederland verschillen (in het "hoe").
8. In deze tijd van bezuinigen is het vreemd om 250 miljoen aan te wenden voor een operatie waar het onderwijsveld niet op zit te wachten. Zie o.a. Geenbonusmaarbanen. Zeker omdat er internationaal al veel onderzoek gedaan is naar prestatiebeloning in het onderwijs en zelfs in een meer materialistisch gericht land als Noord-Amerika is men er van terug gekomen (dat het systeem wel werkt in ontwikkelingslanden mag ook niet verbazen). Zie artikel van I. Waterreus, Onderwijsraad.
9. Prestatiebeloning past niet bij het onderwijs.
De beroepsbevolking kan immers op volgende manieren getypeerd worden:

Het merendeel van de mensen blijkt in één van de 2 hokjes te passen: risico-zoekend en gevoelig voor extrinsieke motivatie óf juist risico-mijdend en door intrinsieke factoren gemotiveerd. Mensen die in het onderwijs werken, zijn over het algemeen risico-mijdend (we gaan niet gokken met uw kinderen) en vooral intrinsiek gemotiveerd. Een systeem van bonussen en prestatiebeloning kan dan zelfs contraproductief werken. Zie onderzoek Bureau Baarda.
10. Prestatiebeloning werkt niet bij complexe problematiek waarbij er creatief gedacht moet worden en de oplossingen niet voor de hand liggen. Dit geldt zeker voor het uitdagende en inspirerende werk in het onderwijs. Zie de boeiende video van Dan Pink. Dit is overigens geen nieuwe wetenschap: 'Intrinsic rewards, such as autonomy and self-actualization were more likely to develop job satisfaction related to performance, than extrinsic rewards such as security or social needs' (Porter and Lawler 1968).
11. Het systeem lokt pervers gedrag uit; dat is in de financiële wereld met de huidige crisis heel duidelijk geworden maar is in het hoger onderwijs, met name met de cijfers- en examenenperikelen op de verscheidene HBO's, ook aangetoond. (Na HvA en Windesheim, recent Haagse Hogeschool).
12. Last but not least: Het OOP (Onderwijs Ondersteunend Personeel) valt wederom buiten de boot.
Wat dan wel?
Op onze school zullen de komende 10 jaar heel veel ervaren docenten van hun verdiende pensioen gaan genieten, zoals bekend gaat deze exodus op veel scholen plaatsvinden. Met hun vertrek zal een grote dosis kennis en ervaring uit de scholen verdwijnen. Is het geen idee om deel van de gelden van de prestatiebeloning in te zetten om die senioren (in de positieve zin van het woord) vrij te maken om nieuwe docenten intensief te begeleiden of om op een andere wijze vak kennisoverdracht mogelijk te maken en te borgen:
- beschrijven van geslaagde experimenten bij de bètavakken zoals een complexe natuurkunde-opstelling of een scheikundeproef;
- als trainer/coach om allerlei klassensituaties of oudergesprekken te oefenen;
- videoregistratie van lesmomenten en bijvoorbeeld mondelinge tentamens voorzien van commentaar;
- door jonge docenten of stagiaires intensief te begeleiden en de kneepjes van het vak te leren;
- etc. etc.
Dit idee bevat geen perverse prikkels, het is een interessante vorm van seniorenbeleid én van prestatiebeloning. De prestatie is al geleverd: het jarenlang goed lesgeven en de beloning is de erkenning van hun vakmanschap en een vrijstelling van een of meer dagdelen om op enigerlei wijze kennisoverdracht te realiseren.
Helaas is deze (prestatie-)bekroning op de carrière binnen de voorgestelde regeling voor prestatiebeloning niet mogelijk.
Reacties zijn welkom.
Tomas Oudejans,
rector
NB: Kreeg een paar dagen na publicatie van een geïnteresseerde lezer onderstaande relevante en ondersteunende bronnen en citaten door. Met dank aan Tilly.
Performance pay and multidimensional sorting: Productivity, preferences, and gender. By T Dohmen and A Falk, in The American Economic Review (a top scientific journal), 2011
(citations below are from a publicly available version, IZA DP No. 2001, dated 2006)
“Controlling for productivity, workers are more likely to prefer a fixed payment scheme the more risk averse. […] Variable payment schemes attract fewer women, an effect that is substantially driven by an underlying gender difference in risk attitudes. Finally, personality systematically affects the sorting decision but differently for men and women. […] In our study workers […] report higher levels of stress and exhaustion [for performance schemes]. Our findings on gender and risk complement recent evidence from survey data that suggest that risk attitude are important for occupational sorting: Bonin et al. (2006) find that individuals who are more willing to take risks are more likely to work in occupations with higher earnings variability. Dohmen et al. (2005), who observe that risk averse workers are more likely to be employed in the public sector […]. Multi-dimensional sorting has several important implications. For example, when thinking about optimal incentives, organizations should not only focus on effort effects but also consider the self-selection of different types of workers.”
Pay for performance in the public sector—Benefits and (hidden) costs, by A Weibel, and K Rost, in Journal of Public Administration Research, 2010.
“Our meta-analysis clearly demonstrates that the task type moderates the effect of pay for performance on performance. Pay for performance has a strong, positive effect on performance in the case of noninteresting tasks. Pay for performance, however, tends to have a negative effect on performance in the case of interesting tasks. The vignette study reveals (a) why pay for performance sometimes undermines performance and (b) how pay for performance produces hidden costs, which also need to be accounted for. 1. Pay for performance causes a cognitive shift, that is, it strengthens extrinsic motivation for behavior (causes a price effect) and at the same time weakens intrinsic motivation for behavior (causes a crowding-out effect). Depending on the strength of these two opposing effects, pay for performance either hurts or promotes personal efforts: The more intrinsic motivation was there at the beginning, the more of it can be destroyed. 2. Hidden costs arise even if the price effect is stronger than the crowding-effect. The loss of intrinsically motivated behavior has always to be compensated by external rewards. Our findings help to explain the modest success of pay for performance in the public sector, for five reasons. First, it seems that in the public sector high intrinsic motivation is at stake (Cacioppe and Mock 1984; Crewson 1997; Jurkiewicz and Massey 1997; Perry 1997; Houston 2000; Buelens and Van den Broeck 2007). Thus, pay for performance can potentially create a strong crowding-out effect. Second, public funding is clearly more limited than private sector funding. As a result(and as suggested by a number of studies) the price effect of pay for performance in public management tends to be rather small (Ingraham 1993; Kellough and Lu 1993; Moon 2000), whereas the crowding-out effect in the case of interesting, and thus potentially intrinsically rewarding, tasks may weigh considerably. Third, pay for performance might reduce investments in policy expertise and select the wrong type of employees as pointed out by the study of Gailmard and Patty (2007). Fourth, the so-called multitasking problem (e.g., Holmstro¨m and Milgrom 1991) can pose an additional difficulty for implementing pay for performance in the public sector: Pay for performance requires the precise measuring of performance and the attribution of this performance to individual efforts to be effective. However, public service institutions often have to deliver complex products and services such as ‘good health’ or ‘good education’ (Plant 2003). To specify every aspect of such tasks is often very difficult. As a result, extrinsically motivated persons, subject to a pay for performance system, have a strong incentive to fulfill only what is easy to measure, that is, the quantifiable performance-related aspects of a task. What is not easy to measure is disregarded, though it might be important for fulfilling the task (for examples from the public sector, see Dalrymple 2004; van Bockel and Noordegraaf 2006). A more subjective performance evaluation could address the problem of multitasking but creates new problems instead. Subjective performance evaluation procedures are subject to systematic cognitive biases in evaluation (e.g., Rynes, Gerhart, and Parks 2005) and might be considered as procedurally unfair as they cannot provide consistency and objectivity in the same way as objective evaluations do. Fifth, from a politico-economic perspective, the application of performance-contingent rewards also carries the danger of political manipulation. Political economists have traditionally focused on politicians’ possibilities and incentives to manipulate the criteria by which they are evaluated (e.g., Frey 1983; Benz and Frey 2007). In this view, pay for performance for politicians and high-level public service agents does not make sense because these individuals are the ones who decide the very standards by which they are compensated.”
Wij hebben onderstaande argumenten om af te zien van deelname aan het experiment Prestatiebeloning, ze staan in willekeurige volgorde:
1.Prestatiebeloning heeft voor ons geen prioriteit in modernisering van de huidige arbeidsvoorwaarden omdat het simpelweg niet past bij de cultuur van onze school. Wij zijn meer gebaat bij meer flexibiliteit in arbeidsrelatie zoals met een levensfasebudget.
2.Door een afgesproken cyclus van beoordelings-, pop- en functioneringsgesprekken en recent geïntroduceerde regelingen als de functiemix en de regeling Bewust Belonen zijn er al voldoende instrumenten voor een goed en onderscheidend personeelsbeleid. (En laten we ook het "gewone" compliment niet vergeten).
3.De projecten die wij als school willen aanpakken, zouden docenten zonder extra prikkel ook al moeten willen doen (en gelukkig doen de meesten dat ook). De salarissen in het onderwijs zijn de afgelopen jaren flink bijgetrokken en het is gezien de hoogte van de salarissen niet nodig extra te belonen voor activiteiten die feitelijk binnen de normale taakomschrijving vallen.
4.School maak je samen en het wordt steeds belangrijker om juist te investeren in die samenwerking en in de onderlinge relaties van de medewerkers zodat er een sfeer van vertrouwen én van critical friends kan groeien. Prestatiebeloning achten wij contraproductief voor dit proces.
5. Een school zoekt voor dit experiment projecten uit die een school toch al belangrijk vindt, daarmee is de slaagkans –ongeacht de prestatiebeloning- groot en daarmee lijkt de uitkomst van een onderzoek naar het effect van prestatiebeloning redelijk voorspelbaar.
Stel we maken een speerpunt dat er meer differentiatie moet komen of minder doubleurs in een bepaalde jaarlaag. We maken zo'n keuze normaal gesproken gezamenlijk op basis van signalen van medewerkers, ouders en leerlingen, op basis van onderzoek en argumenten ontstaat er draagvlak en dan gaan de schouders er onder. Zo zijn er ieder schooljaar -en in ieder schoolplan- wel nieuwe activiteiten, dat is inherent aan het onderwijs. Als een dergelijk project voorgedragen wordt voor het experiment Prestatiebeloning, is niet de vraag óf het project slaagt maar of het door de bonus beter slaagt.
In het Nederlands onderwijs wordt al hard gewerkt, het is niet voor niets dat het aantal burn outs het grootste is van de Nederlandse beroepsbevolking (onderzoek CBS 2011). Het is een gotspe om aan te dat onze onderwijs-professionals voor een paar duizend euro opeens beter onderwijs kunnen geven, je zou het ook als een motie van wantrouwen met betrekking tot de integriteit en het arbeidsethos kunnen typeren.
6. Het is een illusie en korte termijn denken dat leerwinsten betrouwbaar in 3 jaar te meten zijn. Zo is het best mogelijk om het aantal doubleurs van een bepaalde jaarlaag terug te dringen maar welk effect heeft dat in de hogere jaren?
7. Vergelijkbare controlegroepen binnen de school roept al snel vragen op waarom één groep leerlingen meer aandacht/energie heeft gekregen dan een andere. Controlegroepen buiten de school zijn zelden of nooit vergelijkbaar want gelukkig mogen scholen in Nederland verschillen (in het "hoe").
8. In deze tijd van bezuinigen is het vreemd om 250 miljoen aan te wenden voor een operatie waar het onderwijsveld niet op zit te wachten. Zie o.a. Geenbonusmaarbanen. Zeker omdat er internationaal al veel onderzoek gedaan is naar prestatiebeloning in het onderwijs en zelfs in een meer materialistisch gericht land als Noord-Amerika is men er van terug gekomen (dat het systeem wel werkt in ontwikkelingslanden mag ook niet verbazen). Zie artikel van I. Waterreus, Onderwijsraad.
9. Prestatiebeloning past niet bij het onderwijs.
De beroepsbevolking kan immers op volgende manieren getypeerd worden:

Het merendeel van de mensen blijkt in één van de 2 hokjes te passen: risico-zoekend en gevoelig voor extrinsieke motivatie óf juist risico-mijdend en door intrinsieke factoren gemotiveerd. Mensen die in het onderwijs werken, zijn over het algemeen risico-mijdend (we gaan niet gokken met uw kinderen) en vooral intrinsiek gemotiveerd. Een systeem van bonussen en prestatiebeloning kan dan zelfs contraproductief werken. Zie onderzoek Bureau Baarda.
10. Prestatiebeloning werkt niet bij complexe problematiek waarbij er creatief gedacht moet worden en de oplossingen niet voor de hand liggen. Dit geldt zeker voor het uitdagende en inspirerende werk in het onderwijs. Zie de boeiende video van Dan Pink. Dit is overigens geen nieuwe wetenschap: 'Intrinsic rewards, such as autonomy and self-actualization were more likely to develop job satisfaction related to performance, than extrinsic rewards such as security or social needs' (Porter and Lawler 1968).
11. Het systeem lokt pervers gedrag uit; dat is in de financiële wereld met de huidige crisis heel duidelijk geworden maar is in het hoger onderwijs, met name met de cijfers- en examenenperikelen op de verscheidene HBO's, ook aangetoond. (Na HvA en Windesheim, recent Haagse Hogeschool).
12. Last but not least: Het OOP (Onderwijs Ondersteunend Personeel) valt wederom buiten de boot.
Wat dan wel?
Op onze school zullen de komende 10 jaar heel veel ervaren docenten van hun verdiende pensioen gaan genieten, zoals bekend gaat deze exodus op veel scholen plaatsvinden. Met hun vertrek zal een grote dosis kennis en ervaring uit de scholen verdwijnen. Is het geen idee om deel van de gelden van de prestatiebeloning in te zetten om die senioren (in de positieve zin van het woord) vrij te maken om nieuwe docenten intensief te begeleiden of om op een andere wijze vak kennisoverdracht mogelijk te maken en te borgen:
- beschrijven van geslaagde experimenten bij de bètavakken zoals een complexe natuurkunde-opstelling of een scheikundeproef;
- als trainer/coach om allerlei klassensituaties of oudergesprekken te oefenen;
- videoregistratie van lesmomenten en bijvoorbeeld mondelinge tentamens voorzien van commentaar;
- door jonge docenten of stagiaires intensief te begeleiden en de kneepjes van het vak te leren;
- etc. etc.
Dit idee bevat geen perverse prikkels, het is een interessante vorm van seniorenbeleid én van prestatiebeloning. De prestatie is al geleverd: het jarenlang goed lesgeven en de beloning is de erkenning van hun vakmanschap en een vrijstelling van een of meer dagdelen om op enigerlei wijze kennisoverdracht te realiseren.
Helaas is deze (prestatie-)bekroning op de carrière binnen de voorgestelde regeling voor prestatiebeloning niet mogelijk.
Reacties zijn welkom.
Tomas Oudejans,
rector
NB: Kreeg een paar dagen na publicatie van een geïnteresseerde lezer onderstaande relevante en ondersteunende bronnen en citaten door. Met dank aan Tilly.
Performance pay and multidimensional sorting: Productivity, preferences, and gender. By T Dohmen and A Falk, in The American Economic Review (a top scientific journal), 2011
(citations below are from a publicly available version, IZA DP No. 2001, dated 2006)
“Controlling for productivity, workers are more likely to prefer a fixed payment scheme the more risk averse. […] Variable payment schemes attract fewer women, an effect that is substantially driven by an underlying gender difference in risk attitudes. Finally, personality systematically affects the sorting decision but differently for men and women. […] In our study workers […] report higher levels of stress and exhaustion [for performance schemes]. Our findings on gender and risk complement recent evidence from survey data that suggest that risk attitude are important for occupational sorting: Bonin et al. (2006) find that individuals who are more willing to take risks are more likely to work in occupations with higher earnings variability. Dohmen et al. (2005), who observe that risk averse workers are more likely to be employed in the public sector […]. Multi-dimensional sorting has several important implications. For example, when thinking about optimal incentives, organizations should not only focus on effort effects but also consider the self-selection of different types of workers.”
Pay for performance in the public sector—Benefits and (hidden) costs, by A Weibel, and K Rost, in Journal of Public Administration Research, 2010.
“Our meta-analysis clearly demonstrates that the task type moderates the effect of pay for performance on performance. Pay for performance has a strong, positive effect on performance in the case of noninteresting tasks. Pay for performance, however, tends to have a negative effect on performance in the case of interesting tasks. The vignette study reveals (a) why pay for performance sometimes undermines performance and (b) how pay for performance produces hidden costs, which also need to be accounted for. 1. Pay for performance causes a cognitive shift, that is, it strengthens extrinsic motivation for behavior (causes a price effect) and at the same time weakens intrinsic motivation for behavior (causes a crowding-out effect). Depending on the strength of these two opposing effects, pay for performance either hurts or promotes personal efforts: The more intrinsic motivation was there at the beginning, the more of it can be destroyed. 2. Hidden costs arise even if the price effect is stronger than the crowding-effect. The loss of intrinsically motivated behavior has always to be compensated by external rewards. Our findings help to explain the modest success of pay for performance in the public sector, for five reasons. First, it seems that in the public sector high intrinsic motivation is at stake (Cacioppe and Mock 1984; Crewson 1997; Jurkiewicz and Massey 1997; Perry 1997; Houston 2000; Buelens and Van den Broeck 2007). Thus, pay for performance can potentially create a strong crowding-out effect. Second, public funding is clearly more limited than private sector funding. As a result(and as suggested by a number of studies) the price effect of pay for performance in public management tends to be rather small (Ingraham 1993; Kellough and Lu 1993; Moon 2000), whereas the crowding-out effect in the case of interesting, and thus potentially intrinsically rewarding, tasks may weigh considerably. Third, pay for performance might reduce investments in policy expertise and select the wrong type of employees as pointed out by the study of Gailmard and Patty (2007). Fourth, the so-called multitasking problem (e.g., Holmstro¨m and Milgrom 1991) can pose an additional difficulty for implementing pay for performance in the public sector: Pay for performance requires the precise measuring of performance and the attribution of this performance to individual efforts to be effective. However, public service institutions often have to deliver complex products and services such as ‘good health’ or ‘good education’ (Plant 2003). To specify every aspect of such tasks is often very difficult. As a result, extrinsically motivated persons, subject to a pay for performance system, have a strong incentive to fulfill only what is easy to measure, that is, the quantifiable performance-related aspects of a task. What is not easy to measure is disregarded, though it might be important for fulfilling the task (for examples from the public sector, see Dalrymple 2004; van Bockel and Noordegraaf 2006). A more subjective performance evaluation could address the problem of multitasking but creates new problems instead. Subjective performance evaluation procedures are subject to systematic cognitive biases in evaluation (e.g., Rynes, Gerhart, and Parks 2005) and might be considered as procedurally unfair as they cannot provide consistency and objectivity in the same way as objective evaluations do. Fifth, from a politico-economic perspective, the application of performance-contingent rewards also carries the danger of political manipulation. Political economists have traditionally focused on politicians’ possibilities and incentives to manipulate the criteria by which they are evaluated (e.g., Frey 1983; Benz and Frey 2007). In this view, pay for performance for politicians and high-level public service agents does not make sense because these individuals are the ones who decide the very standards by which they are compensated.”
Abonneren op:
Posts (Atom)
