zondag 20 oktober 2013

Social Media: een Lust of een Last?

Deze opinie is in iets gewijzigde vorm geplaatst in het Brabants Dagblad van 12 oktober 2013

Begin oktober vond in Den Haag in het kader van de Onderwijsweek het nationale onderwijsdebat plaats. In het panel zaten politici, bestuurders en experts op het terrein van onderwijsvernieuwing. Als rector met ervaringen met Twitter e.d. mocht ik ook als panellid optreden. De organisatie van het onderwijsdebat was vreemd genoeg vergeten om docenten uit te nodigen, maar in de zaal zaten gelukkig wel de echte deskundigen: de leerlingen. The medium is the message en ik kon het dus niet laten om even te twitteren over mijn aanwezigheid bij het debat. Die tweet is opgepikt door de opinieredactie van het Brabants Dagblad en had een uitnodiging tot een opiniebijdrage tot gevolg. Oordeel zelf maar of de vraag “Social Media: Lust of Last?” hiermee beantwoord wordt.

 Aan de hand van stellingen werd onder leiding van Boris van der Ham levendig gediscussieerd. De eerste stelling was of er meer of minder gebruik moet worden gemaakt van social media in de klas De tegenstelling tussen de mening van de experts en die van de leerlingen had niet groter kunnen zijn. De onderwijsvernieuwers vonden unaniem dat tools als Twitter en Facebook de middelen bij uitstek zijn om de hedendaagse jeugd iets bij te brengen. De leerlingen waren terughoudender en toonden het inzicht dat bij het opzoeken of communiceren via Twitter het gevaar loert dat je dan heel snel afgeleid zal zijn door de talloze overige berichtjes. Over Facebook waren ze nog stelliger: “Dat is privé en niet van school”. Dit betekent overigens niet dat een school geen Facebookpagina mag hebben, maar daar moet je echt geen huiswerk op posten.
 Ik was blij met de reactie van de leerlingen. Het afleidingsgevaar is in mijn ogen het grootste probleem van de social media. Natuurlijk worden we op school ook geconfronteerd met pesten via de social media, maar dit heeft boven het ouderwetse verbale pesten als voordeel dat we ook eigentijdse opsporingsmiddelen tot onze beschikking hebben gekregen: digitaal pesten laat immers digitale sporen na. Je niet laten afleiden en blijven concentreren op een studieboek vergt erg veel zelfdiscipline. Als de smartphone op je bureau ligt te lonken, is het zeer verleidelijk om regelmatig te checken of er een nieuwe whatsapp of tweet binnen is gekomen of dat er misschien een nieuwe foto “geliket” moet worden.
Op een thema-avond op school vertelden ouders dat ze zelf ook behoorlijk verslaafd zijn: ouders die online Wordfeud tegen elkaar aan het spelen zijn terwijl ze zwijgend naast elkaar op de bank zitten. Een andere moeder vertelde met enige gêne dat ze haar kinderen met WhatsApp “roept” dat ze naar beneden moeten komen omdat het eten klaar is. 
Bij kinderen komt daar de groepsdruk en de angst om er niet meer bij te horen bij. De term infobesitas, een paar jaar geleden geïntroduceerd om de overdaad aan informatie te duiden, is ingehaald door socialbesitas. Vooral onder 12- tot 16-jarigen komt de ziekte FOMO voor (Fear Of Missing Out), honderden berichtjes per dag is geen uitzondering en waterdichte smartphones zijn vooral populair omdat je daarmee zelfs onder de douche verbonden kan blijven met je virtuele vriendenkring.

Dat leerlingen het gebruik van hun Facebook voor mededelingen van school afwijzen, verheugde me omdat ze daarmee een eigentijds privacy-besef tonen. Het is niet de privacy die tot een paar jaar geleden de norm was; waarbij jij zelf wilt kunnen bepalen wie, wat van jou weet. Treinreizigers mogen soms meegenieten van uitgebreide relatieperikelen (maar ook van zakelijke gesprekken) en op Twitter en Facebook wordt veel meer gedeeld dan we ooit voor mogelijk hadden gehouden. Toch willen de kinderen in al die nieuwe openheid een eigen controle houden en hebben ze eigen spelregels. Nu leren we de kinderen bij mediawijsheid nog dat ze op moeten passen wat ze op Facebook zetten omdat dit later bij sollicitaties tegen je gebruikt kan worden, maar over niet al te lange tijd is het juist verdacht als je niet gegoogled kunt worden. De regels veranderen dus en wij moeten als school leerlingen helpen om de juiste keuzes te maken. Vorig jaar vonden we een tweet van een leerling waarin hij aangaf een docente te haten. In het daaropvolgende pedagogische gesprek bleken twee dingen: ten eerste was hij stomverbaasd dat anderen het ook konden lezen en ten tweede bleek dat haten helemaal niet zo zwaar beledigend bedoeld te zijn. Een tweet moet immers kort zijn en als je iets of iemand even minder leuk vindt, dan knal je er als puber ongenuanceerd gewoon een HAAT uit.

 Voor school en ouders ligt er de taak om het taalgebruik bij te sturen en leerlingen te helpen de privacy te bewaken. In het onderwijs zullen we de social media gedoseerd inzetten. Om het afleidingsgevaar tegen te gaan, komen er vast wel technische oplossingen. Bijvoorbeeld een app waarmee uw kind kan aangeven voor de studie een uur volledig offline te gaan en waardoor dan zakgeldbonus wordt opgebouwd. Ik las serieus de tip met de oplossing om de drang om regelmatig op het mobieltje te kijken te reduceren: een horloge! Ook een manier om bij de tijd te blijven.
Tomas Oudejans,
rector Theresialyceum

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen