Ter gelegenheid van zijn 60-jarig bestaan organiseert De Sociaal-Economische Raad (SER) een aantal symposia over actuele onderwerpen op de sociaaleconomische agenda. Op tien februari stond het onderwerp ‘Onderwijs: hoe vroeg beginnen we met de selectie?’ op de agenda. Dit onderwerp is met name voor onze school interessant, want Theresialyceum is een van de weinige scholen in Nederland die met de driejarige brugperiode voor een late selectie kiezen.
In de aanloop naar de aanmelding van nieuwe leerlingen in maart, spreek ik o.a. op voorlichtingsavonden veel ouders van potentiële leerlingen. Het merkwaardige feit doet zich voor dat in de vraagstelling en discussie over de driejarige brugperiode de zogenaamde risico’s en problemen steeds benadrukt worden. Bovendien lijkt het erop dat je een bewuste keuze voor heterogene groepen en late selectie beter moet kunnen verantwoorden dan een vroege selectie en plusklassen. Niet dat ik het moeilijk vind onze keuze te beargumenteren, maar ik was erg nieuwsgierig naar dit symposium, dus ging ik gisteren op weg naar Den Haag.
Aart Jan de Geus, plaatsvervangend secretaris-generaal van OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) schetste ons Nederlandse onderwijs tegen de achtergrond van het Europese onderwijs naar aanleiding van wetenschappelijk onderzoek en recent PISA onderzoek (Programme for International Student Assessment, een grootschalig internationaal vergelijk onderzoek onder auspiciën van de OESO).
De kwaliteit van het Nederlandse onderwijs is goed, maar de ‘equity’ (sociaal-economische gelijkheid) is onvoldoende. De onderwijskansen zijn onvoldoende verdeeld waardoor er veel potentieel verloren gaat. Hij pleitte voor een late selectie om leerlingen optimale kansen te geven hun talent te ontplooien. Onderzoek heeft uitgewezen dat late selectie niet nadelig werkt voor de toplaag, maar wel meer kansen biedt voor alle leerlingen uit alle sociaal-economische milieus. Scholen moeten een breed aanbod bieden waarin elk talent wordt uitgedaagd en waarin ruimte is voor individuele begeleiding.
De kenmerken van de best presterende landen (scholen) op onderwijsgebied zijn de volgende:
1. Een goed onderwijsklimaat dat zich kenmerkt door o.a. een goede relatie tussen leerling en docent, door een focus op resultaat en een verantwoordingsplicht naar ouders. (Op het Theresialyceum vertalen we dit o.a. in de magische driehoek van ouder-kind-school en in onze missie met ‘respect’.)
2. Een persoonlijke aanpak waarbij docenten constructief omgaan met zowel diversiteit in sociaal-economische achtergrond als diversiteit in potentiële talenten. Docenten gaan flexibel om met het voorgeschreven curriculum en bieden leerlingen waar nodig een individuele leerweg met een persoonlijke invulling. (Een Traject Op Maat noemen wij dat op het Theresialyceum. In onze missie verwoord als ‘evenwicht’.)
3. Een breed aanbod, waardoor individuele talenten tot ontwikkeling kunnen komen, waarin latente talenten naar buiten kunnen treden en waarin verborgen talenten ontdekt kunnen worden. (Op het Theresialyceum vertalen we dit in een breed aanbod van extra vakken en modules. Of om bij de missie te blijven: ‘studiegericht’.)
De conclusie van OESO is dat de meest succesvolle scholen scholen zijn die in heterogene groepen ruimte bieden voor individuele begeleiding.
Mijn conclusie na dit symposium is dat we op Theresialyceum de juiste keuzes hebben gemaakt en niet alleen met onze driejarige brugperiode. Maar voor die conclusie hoefde ik dit symposium niet te bezoeken.